De vergoeding bij een kennelijk onredelijk ontslag: niet op basis van de kantonrechtersformule


Bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst kan de rechter in sommige gevallen aan de werkgever de verplichting opleggen om een vergoeding aan de werknemer te betalen.

Dat kan gebeuren in een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en in een geding dat de werknemer, na een hem gegeven ontslag door opzegging, tegen de werkgever aanspant omdat hij meent dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Het ontslag is kennelijk onredelijk wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij opzegging. De werknemer vraagt de rechter in dat geval (alsnog) een (extra) vergoeding toe te kennen.

De wijze waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, hetzij door opzegging dan wel door ontbinding, kan uiteindelijk tot een verschillende vergoeding leiden. De jurisprudentie gaf geen eenduidig beeld terwijl dit verschil zich niet echt goed liet verklaren. Bij sommigen (zowel rechters als justitiabelen) heeft dit geleid tot een gevoel van oneerlijkheid en onrechtvaardigheid, en meermalen is dan ook bepleit voor het min of meer gelijktrekken van de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag met de ontbindingsvergoeding. Veel rechters hanteerden dan ook de kantonrechtersformule, die in beginsel is bedoeld voor het bepalen van de hoogte van een ontbindingsvergoeding, ook bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in geval van een kennelijk onredelijk ontslag.

In het arrest van 27 november 2009 heeft de Hoge Raad een duidelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vraag of de kantonrechtersformule als uitgangspunt kan dienen bij kennelijk onredelijk ontslag.

De Hoge Raad stelt voorop dat pas dan van een vergoeding op grond van art. 7:681 sprake kan zijn als eerst – aan de hand van alle omstandigheden van het geval – is vastgesteld dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat de werkgever de werknemer geen vergoeding heeft aangeboden, het ontslag nog niet kennelijk onredelijk maakt. Volgens de Hoge Raad kan bij vergoedingen wegens kennelijk onredelijk ontslag de kantonrechtersformule niet worden toegepast.

Een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag heeft een ander karakter dan een vergoeding die de kantonrechter kan toekennen bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in omstandigheden. De vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst is een vergoeding naar billijkheid, maar de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag is een vergoeding wegens geleden schade. Die schade houdt verband met de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever. Of sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag moet door de rechter worden bepaald in een procedure waarin ook het bewijsrecht geldt, en de schade moet volgens de daarvoor geldende regels worden begroot.
De rechter moet bij kennelijk onredelijk ontslag dus oordelen naar de omstandigheden van het geval en zijn beslissing naar behoren motiveren. Daarbij past een algemene kantonrechtersformule niet.

Eén ding is duidelijk, voor de kantonrechtersformule is in de kennelijk onredelijk ontslagprocedure geen plaats.

Bron: rechtspraak.nl

Speak Your Mind

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!

Spam Protection by WP-SpamFree